Hoofdstuk 7. De familie Lawson

Een week later kende iedereen dit verhaal.
De media ontploften.
— “Lawson neemt dakloze kinderen in bescherming!”
— “De ijskoude zakenman toont onverwacht een hart!”
— “Wat verbergt de magnaat?”
Verslaggevers probeerden onder de deuren door te gluren, over het hek te klimmen, langs de beveiliging te komen.
Mensen fluisterden op kantoor.
De raad van bestuur jammerde luid: zulke gebaren konden “twijfels bij investeerders oproepen”.
Maar David Lawson trok zich daar voor het eerst in zijn leven niets van aan.
Hij keek naar Emma en Miles, die nu in zijn huis woonden.
Ze aten warm eten.
Sliepen in zachte bedden.
Lachten.
Ja.
Láchten.
En iets in zijn borst begon langzaam te ontdooien.
Hoofdstuk 8. Wat Emma verborgen hield
Een maand later, toen het leven min of meer tot rust was gekomen, merkte David dat Emma soms één of twee uur verdween. Hij vond haar op het dak.
Ze zat er met bungelende benen en keek uit over de stad.
— “Emma, wat doe je hier?” vroeg hij.
Ze draaide zich om.
— “Ik denk na.”
— “Waarover?”
Ze zuchtte.
— “Over mama.”
Hij ging naast haar zitten.
En toen begon ze uit zichzelf te praten — voor het eerst.
Haar moeder was drie maanden geleden gestorven.
Hun vader had hen een jaar eerder verlaten.
Pleeggezinnen weigerden de kinderen telkens, omdat Miles veel huilde en Emma “te volwassen” en “getraumatiseerd” was.
En zo kwamen ze op straat terecht.
— “Ik dacht dat niemand ons ooit nog zou liefhebben,” fluisterde ze. “En toen bleef u staan.”
Hij keek naar de horizon.
— “Ik dacht ook dat niemand ooit nog van míj zou houden.”
Ze pakte zijn hand.
Een kleine handpalm in de zijne.
En de wereld stortte niet in.
Hij besefte plots dat hij niet bang was.
Hoofdstuk 9. De aanval
Maar het leven blijft nooit lang rustig.
Op een avond kwam Emma niet terug.
Hij wachtte.
Vijf minuten.
Tien.
Dertig.
